Schelpdieren op de slikken en platen van de Oosterschelde


Door: Jeroen Wijsman

Projectleider: Karin Troost

Wageningen Marine Research

Gefinancierd door:

Gebruiksaanwijzing

Op deze monitor kunnen de resultaten (biomassa en dichtheid) van de schelpdierinventarisatie op de droogvallende platen van de Oosterschelde van 1990/1992 tot heden eenvoudig worden weergegeven. De gewenste soort en het gewenste jaar zijn te selecteren in het linker paneel. Er kan gekozen worden voor weergave van de dichtheid (= het aantal individuen per vierkante meter), of de biomassa (= het (vers)gewicht in grammen per vierkante meter). Onder tabblad "verspreiding" staat een interactieve kaart waarop kan worden ingezoomd. Rechtsboven kan gekozen worden voor verschillende kaarten als achtergrond. Door linksboven "Alle soorten" aan te vinken verschijnen alle geregistreerde soorten in het drop-down menu. Als deze box niet is aangevinkt wordt alleen de selectie van soorten getoond waarvoor ook individuele tijdreeksen beschikbaar zijn. Onder tabblad "ontwikkeling" zijn de tijdreeksen van de volgende soorten weergegeven: kokkel (Cerastoderma edule), nonnetje (Limecola balthica), Filipijnse tapijtschelp (Ruditapes philippinarum), strandgaper (Mya arenaria) en Amerikaanse zwaardschede (mesheft) (Ensis leei). Ook voor het totaal van alle aangetroffen soorten (soort "Totaal" in drop-down menu) kan de tijdreeks weergegeven worden. Let wel: in de totale biomassa zijn soorten die niet gewogen worden niet inbegrepen (zoals de Amerikaanse zwaardschede en strandgaper waarvan geen intacte dieren aangetroffen worden). . Onder tabblad "soortinformatie" staan afbeeldingen van weergegeven soorten.

Als onderdeel van de Wettelijke Onderzoekstaken Visserij (WOT) worden jaarlijks door Wageningen Marine Research (WMR) de omvang van schelpdierbestanden in de Nederlandse kustwateren geïnventariseerd. In de Oosterschelde richt deze inventarisatie zich met name op kokkels (Cerastoderma edule), mosselen (Mytilus edulis) en Japanse oesters (Crassostrea gigas) op de droogvallende platen. Bestandsschattingen van kokkels en andere ingegraven soorten worden uitgevoerd sinds 1990 in de Oosterschelde. In 2011 zijn daar bestandsschattingen bijgekomen van Japanse oesters en mosselen binnen de aanwezige oesterbanken en gemengde banken. Resultaten hiervan zijn nog niet weergegeven in deze monitor.

Het beleid voor schelpdiervisserij in de Nederlandse kustwateren is vastgelegd in het Beleidsbesluit Schelpdiervisserij 2005-2020. In de Oosterschelde mag zowel mechanisch als handmatig op kokkels gevist worden. Er geldt een voedselreserveringsbeleid naar de inzichten uit het EVA II onderzoek. Er mag pas worden gevist wanneer het kokkelbestand hoger is dan 150 kg kokkelvlees per scholekster. De precieze grens wordt daarmee bepaald door het aantal scholeksters. Dit aantal wordt, conform het advies van de Beleidsadviesgroep EVA II, berekend als het voortschrijdend driejaargemiddelde van de populatieaantallen. Hierbij geldt een opslag van 10% om de scholeksterpopulatie ontwikkelingskansen te bieden. De handkokkelsector heeft recht op 1/17e deel van de totaal mogelijke vangst bij dichtheden hoger dan 50 kokkels per m2.

De jaarlijkse inventarisatie wordt primair uitgevoerd ten behoeve van visserijbeleid, maar is daarnaast ook van belang voor evaluatie van beheersmaatregelen en effectstudies, bijvoorbeeld in het kader van Natura 2000. Vanwege de sleutelrol die schelpdieren vervullen in het mariene voedselweb, zoals het reguleren van lagere en hogere trofische niveaus (resp. bijv. fytoplankton en steltlopers), richten effectstudies zich in belangrijke mate op potentiële gevolgen van menselijke ingrepen op schelpdiervoorkomens. De jaarlijkse schelpdierinventarisaties geven inzicht in de langjarige trend en variaties van jaar tot jaar.

Doel van de inventarisatie is een bepaling van het voorjaarsbestand van kokkels op de droogvallende slikken en platen van de Oosterschelde. Daarnaast worden ook alle aangetroffen andere soorten schelpdieren, krabben en stekelhuidigen geregistreerd.

In verband met het beleid met betrekking tot de foerageermogelijkheden voor vogels in de komende winter, en de tijd die nodig is voor eventuele vergunningverlening voor visserij, worden de resultaten voor kokkels vanuit het voorjaar geëxtrapoleerd naar een schatting van de kokkelbestanden en oogstbare biomassa"s in het najaar (1 september). De resultaten van de extrapolatie worden niet weergegeven op deze monitor.

In de Oosterschelde is gebruik gemaakt van één stratum, en is dus gewerkt met een regelmatig grid waar de onderlinge afstand tussen monsterpunten overal even groot is.

De bemonstering is uitgevoerd door WMR met behulp van vaartuigen van de Rijksrederij (MS Regulus en MS Luctor) in samenwerking met de visserijkundig ambtenaren van het ministerie van LNV en de bemanning van de schepen. De stationslocaties zijn bepaald met behulp van GPS-apparatuur in combinatie met het navigatieprogramma MaxSea TimeZero. Voor locaties die te voet of vanuit de bijboot zijn bemonsterd is gebruik gemaakt van een hand-GPS (Garmin).

Tijdens de bemonstering is gebruik gemaakt van verschillende monstertuigen:

  • Kokkelschepje: dit monstertuig wordt toegepast in de Deltawateren en de Waddenzee en wordt bediend vanuit een bijboot. Met het schepje worden 3 monsters uit de bodem gestoken die als één worden behandeld (totaal bemonsterd oppervlak 0,1 m2; 7 cm diep). Monsters zijn gezeefd over een maaswijdte van 5 mm.
  • Steekbuis: enkele hooggelegen monsterpunten zijn te voet bezocht en bemonsterd met een steekbuis. Op deze locaties is per monsterpunt een mengmonster gemaakt van 2 steekbuis-monsters (PVC-ring met een diameter van 24,4 centimeter, totaal bemonsterd oppervlak=0,1 m2; 7 cm diep). Monsters zijn gezeefd over een maaswijdte van 5 mm.

Monsters die zijn genomen door medewerkers van WMR zijn meteen aan boord verwerkt. Dit geldt voor alle monsters genomen met de hydraulische happer en een deel van de monsters genomen met het kokkelschepje en de steekring. Monsters die zijn genomen door medewerkers van het ministerie van LNV (visserijkundig ambtenaren) zijn ingevroren, naar WMR getransporteerd en daar verwerkt. Alle dieren uit de vangst zijn geregistreerd, behalve vissen, garnalen en wormen.

Bij grotere vangsten (meer dan 100 exemplaren van de doelsoort of 50 van overige soorten) wordt er een deelmonster genomen op basis van het volume. Uit de (sub)monsters zijn alle levende schelpdieren verzameld, ontdaan van aangroei en gesorteerd op grootte en/of leeftijd. Kokkels zijn op basis van groeiringen opgedeeld in 0-jarig (broed), 1-jarig, 2-jarig en meerjarig. De inventarisatie richt zich niet op kokkelbroed, dat tijdens de inventarisatie ofwel nog niet aanwezig is, ofwel te klein is om op de zeef te blijven liggen.

De onbeschadigde dieren zijn per klasse geteld en gewogen (levend 'versgewicht', ofwel 'natgewicht', incl. schelp). Oesters die aan elkaar of aan lege schelpen waren vastgegroeid en die niet gescheiden konden worden zonder ze kapot te maken, zijn als kapot gerekend. Kapotte exemplaren zijn meegenomen in de aantallen indien het slot volledig aanwezig was (d.w.z. beide zijden van de 'scharnier' tussen beide kleppen) en vleesresten aanwezig waren

Omdat door invriezen en ontdooien vochtverlies kan optreden wat resulteert in een afname van het versgewicht, zijn de aan boord ingevroren monsters per locatie en per soort waterdicht verzegeld in plastic zakjes. Bij het bepalen van het versgewicht na ontdooien is daarbij óók het vocht dat uit de schelpen kwam meegewogen.

Gewichten van kapotte dieren zijn berekend op basis van het gemiddelde gewicht van de schelpdieren van dezelfde soort en jaarklasse. Afhankelijk van de aanwezigheid van complete schelpdieren wordt dit gemiddelde gebaseerd op het monster, alle monsters genomen op dezelfde dag of alle monsters genomen tijdens de gehele survey.

Per soort is het totale bestand als volgt berekend: voor alle monsterpunten is de biomassa per m2 berekend, welke vervolgens is vermenigvuldigd met het corresponderende oppervlak van het gridvak binnen het corresponderende stratum. Gesommeerd geeft dit het totale geschatte bestand voor het bemonsterde gebied.

Schattingen van het kokkelbestand in het najaar worden berekend uit de voorjaarsgegevens en de verwachte groei en sterfte tussen moment van monstername en 1 september. Voor het berekenen van de groei wordt gebruik gemaakt van de berekeningsmethode volgens de Gompertz groeicurve.

Diep levende soorten zoals mesheften en strandgapers worden niet met een efficiëntie van 100% bemonsterd met de huidige monstertuigen. De gebruikte monstertuigen dringen door tot een diepte van 7 cm in de bodem, waardoor van mesheften alleen de topjes worden gevangen en van strandgapers alleen delen van de sifons. Een deel van de dieren zal worden gemist, waarmee de gerapporteerde bestanden een onderschatting zijn van de werkelijke bestanden. Voor de vergelijking tussen jaren maakt dit geen verschil.

Troost, K., M. van Asch, E. Brummelhuis, D. van den Ende, Y. van Es, K.J. Perdon, J. van der Pool, C. van Zweeden en J. van Zwol (2021) Schelpdierbestanden in de Nederlandse kustzone, Waddenzee en zoute deltawateren in 2020. Centrum voor Visserij Onderzoek en Wageningen Marine Research, CVO rapport 21.001. (link naar rapport)

Bult, T.P., B.J. Ens, R.L.P. Lanters, A.C. Smaal en L. Zwarts, 2000. Korte Termijn Advies Voedselreservering Oosterschelde. Samenvattende Rapportage in het kader van EVAII. Rapport RIKZ/2000.042. Rijkswaterstaat, Rijks Instituut voor Kust en Zee.

Dame R.F., 1993. Bivalve filter feeders in estuarine and coastal ecosystem processes NATO ASI Series, series G: Ecological Sciences. Springer-Verlag.

Ens B.J., A.C. Smaal & J. de Vlas, 2004. The effects of shellfish fishery on the ecosystems of the Dutch Wadden Sea and Oosterschelde (EVAll). Alterra-rapport 1011; RIVO-rapport C056/04; RIKZ-rapport RKZ/2004.031. Alterra, Wageningen.

Gosling E., 2003. Bivalve Molluscs. Biology, Ecology and Culture. Blackwell Publishing, Oxford.

Kamermans P., J.J. Kesteloo & D. Baars, 2003. Eindverslag Evaluatie Schelpdiervisserij tweede fase. Deelproject H2: Evaluatie van de geschatte omvang en ligging van de kokkelbestanden in de Waddenzee, de Oosterschelde en de Westerschelde. RIVO-rapport C054/03.

LNV, 1993. Structuurnota Zee- en Kustvisserij. Evaluatie van de maatregelen in de kustvisserij gedurende de eerste fase (1993-1997), bijlage V.

LNV, 2004. Ruimte voor een zilte oogst: Beleidsbesluit Schelpdiervisserij 2005−2020. Ministerie van landbouw, natuurbeheer en Visserij, Den Haag.

Troost, K., M. van Asch. Herziene schatting van het kokkelbestand in de Waddenzee en Oosterschelde in het najaar van 2018. CVO rapport: 18.014

Het WMR databeleid volgt het WUR databeleid ten aanzien van veilige en duurzame dataopslag (in het Engels). Bij gebruik van data ten behoeve van een publicatie of presentatie, op welke wijze dan ook, is een correcte bronvermelding verplicht en kan mede-auteurschap als vereiste gelden. Wanneer bij het gebruik van de data het vermoeden rijst dat de data niet correct is, moet dit worden gemeld bij WMR, en indien wettelijk vereist, ook bij andere partijen. WMR is op geen enkele wijze aansprakelijk voor (de gevolgen van) het gebruik van de data door derden. Resultaten, conclusies en aanbevelingen gebaseerd op gebruik van de data door derden worden niet automatisch onderschreven door WMR.

Financiering

De inventarisatie maakt deel uit van de Wettelijke Onderzoekstaken (WOT) op het gebied van Visserij, en wordt jaarlijks uitgevoerd door Wageningen Marine Research in opdracht van het ministerie van LNV.

LogoMinLNV

Afbeeldingen van geselecteerde soorten

Kokkel (Cerastoderma edule)

kokkel_Oscar_Bos
Foto: Oscar Bos

Nonnetje (Limecola balthica)

nonnetje_Oscar_Bos
Foto: Oscar Bos

Strandgaper (Mya arenaria)

strandgaper_Oscar_Bos
Foto: Oscar Bos

Zwaardschede (Ensis spp.)

zwaardschede_Oscar_Bos
Foto: Oscar Bos

Filipijnse tapijtschelp (Venerupis philippinarum)

Filipijnse_tapijtschelp_Terry_Wimbleton
Foto: Terry Wimbleton