Schelpdieren in de Nederlandse kustzone


Door: Jeroen Wijsman

Projectleider: Karin Troost

Wageningen Marine Research

Gefinancierd door:

Gebruiksaanwijzing

Op deze monitor kunnen de resultaten van de schelpdierinventarisatie in de Noordzeekustzone van 1993 tot heden eenvoudig worden weergegeven voor alle aangetroffen soorten. De gewenste soort en het gewenste jaar zijn te selecteren in het linker paneel. Om andere soorten weer te geven kan het vakje "Alle soorten" worden aangevinkt. Er kan gekozen worden voor weergave van de dichtheid (= het aantal individuen per vierkante meter), of de biomassa (= het (vers)gewicht in grammen per vierkante meter). De Amerikaanse zwaardschede, otterschelpen, strandgapers en heremietkreeften zijn niet meegenomen in de biomassa bepaling. Onder tabblad ”verspreiding” staat een interactieve kaart waarop kan worden ingezoomd. Rechtsboven kan gekozen worden voor verschillende kaarten als achtergrond. Door linksboven ”Alle soorten” aan te vinken verschijnen alle geregistreerde soorten in het drop-down menu. Als deze box niet is aangevinkt wordt alleen de selectie van soorten getoond waarvoor ook individuele tijdreeksen beschikbaar zijn. Onder tabblad ”ontwikkeling” zijn de tijdreeksen van de volgende soorten van 1995 tot heden weergegeven: halfgeknotte strandschelp, kokkel, mossel, otterschelp, venusschelp, zaagje, Amerikaanse zwaardschede. In de jaren 1993 en 1994 is alleen de Voordelta bemonsterd. Ook voor het totaal van alle aangetroffen soorten (soort ”Totaal” in drop-down menu) kan de tijdreeks weergegeven worden. Let wel: in de totale biomassa zijn soorten die niet gewogen worden niet inbegrepen (zoals de Amerikaanse zwaardschede en strandgaper waarvan geen intacte dieren aangetroffen worden) Onder tabblad ”soortinformatie” staan afbeeldingen van de soorten die standaard worden weergegeven.

De schelpdieren in de Nederlandse kustwateren trekken veel aandacht van vissers en visserijbiologen. Recent is daar de interesse bij gekomen van partijen betrokken bij kustverdediging, vanwege mogelijke effecten van zandsuppleties op de schelpdierfauna. Daarnaast zijn in de kustzone meerdere Natura2000-gebieden aangewezen waarvoor in het kader van Europese regelgeving regelmatige monitoring van de biologische componenten in het ecosysteem is vereist. Meerjarige dataverzamelingen van het populatieverloop van deze schelpdieren zijn belangrijk, omdat met deze gegevens veranderingen aangetoond kunnen worden.

Het primaire doel van de inventarisatie van schelpdieren in de Nederlandse kustwateren is het vaststellen van de actuele omvang van het bestand aan commercieel interessante soorten en het in kaart brengen van hun verspreiding ten behoeve van de uitvoering van het visserijbeleid. De inventarisatie is primair gericht op de Amerikaanse zwaardschede (ook wel ”mesheft” genaamd; Ensis sp.) en de halfgeknotte strandschelp (Spisula subtruncata). Daarnaast worden ook alle aangetroffen andere soorten schelpdieren, krabben en stekelhuidigen geregistreerd.

De monsterpunten zijn over het onderzoeksgebied verdeeld volgens een grid, waarbij voor een efficiënte verdeling van de onderzoeksinspanning het gebied is verdeeld in een aantal strata: gebieden met een verschillende kans of verwachting op het voorkomen van mesheften en halfgeknotte strandschelpen. De indeling van het monstergrid is gebaseerd op informatie over de verspreiding van halfgeknotte strandschelpen voor 2004, afkomstig van vissers en uit bestandsopnames, en is sinds 2004 ongewijzigd. Vanwege de overeenkomst in verspreidingsgebied tussen halfgeknotte strandschelpen en mesheften in de Nederlandse kustzone wordt dit monstergrid voor beide soorten geschikt geacht. Dit is bevestigd door een statistische analyse. Strata waar veel schelpdieren worden verwacht, zijn met een fijner grid bemonsterd dan de strata waar lage dichtheden worden verwacht. Strata waar geen schelpdieren verwacht worden, zijn het minst intensief bemonsterd. Aldus is ieder bemonsterd punt in de bestandsopname representatief voor een bepaald oppervlak. Vanwege de complexe geomorfologie van de Voordelta (geulen en platen) wordt daar standaard met een fijner grid bemonsterd dan in de rest van het onderzoeksgebied.

De inventarisatie wordt jaarlijks uitgevoerd in de periode april-juni. De meeste monsterpunten worden bemonsterd met de bodemschaaf. De ondieper gelegen Voordelta wordt grotendeels bemonsterd met de zuigkor. Gebieden waar stenen worden verwacht, zoals de ”Texelse stenen”, werden tot 2019 bemonsterd met een Van Veen-happer en vanaf 2019 met een hydraulische bodemhapper.

De bodemschaaf bestaat uit een kooi die aan de onderzijde is voorzien van een mes van 9,4 cm breed. Het mes snijdt tot 10,0 cm diep door de bodem. De bodemschaaf wordt aan een staaldraad voortgetrokken over de bodem. De kooi fungeert tijdens het vissen als zeef (maaswijdte 5 mm). De zuigkor heeft een mesbreedte van 21,4 cm. Het mes snijdt tot 7,0 cm diep door de bodem. De zuigkor wordt over de bodem voortgetrokken aan een zuigbuis, waardoor het genomen monster aan boord wordt gezogen en in een spoelmolen wordt gezeefd. Zowel de kor als de spoelmolen is voorzien van gaas met een maaswijdte van 5 mm. De hydraulische bodemhapper neemt een hap met een oppervlak van 1,06 m2 uit de bodem. De Van Veen-happer, welke voor 2019 werd gebruikt, heeft een bemonsterd oppervlak van 0,1 m2. Hiermee werden per monsterpunt 3 happen genomen, dus met een totaal oppervlak van 0,3 m2>.

Met de bodemschaaf en de zuigkor wordt op iedere locatie gemonsterd over een afstand van ongeveer 150 meter, behalve in de Voordelta waar wegens de bodemgesteldheid de maximale afstand waarover met de bodemschaaf gemonsterd kan worden ongeveer 75 meter is. De exacte afstand wordt bepaald door middel van een elektronische teller die verbonden is aan een meetwiel dat over de bodem gaat, of aan de hand van de met DGPS vastgelegde positie en route van het schip tijdens het vissen. De bemonsterde oppervlakte per locatie beslaat daardoor ±15 m2 met de bodemschaaf (Voordelta ± 7,5 m2) en ┬▒30 m2 met de zuigkor.

Afhankelijk van de grootte van de vangst, zijn alle levende organismen uit de totale vangst of uit een deelmonster gedetermineerd en geteld. Schelpdieren zijn gedetermineerd op soortniveau, met uitzondering van mesheften (Ensis sp.). Omdat van mesheften alleen de topjes worden aangetroffen, of zelfs alleen de sifons, ontbreken determinatiekenmerken welke nodig zijn voor een determinatie op soortniveau. Volledige exemplaren zijn per soort en per monster gewogen (vers gewicht op 0,1 g nauwkeurig). Kapotte exemplaren zijn meegenomen in de aantallen indien het slot volledig aanwezig was (d.w.z. beide zijden van de ”scharnier” tussen beide kleppen) en vleesresten aanwezig waren. Van alle aangetroffen individuen is de schelplengte gemeten, voor mesheften de schelpbreedte van het topje aangezien van deze soort vaak alleen de topjes worden gevangen.

Per locatie zijn de dichtheid (in aantal per vierkante meter) en biomassa (in gram (vers)gewicht per vierkante meter) bepaald. Van diep in de bodem levende soorten (mesheft, otterschelp en strandgaper) wordt de biomassa niet bepaald. De biomassa van kapotte schelpdieren is berekend aan de hand van de gemiddelde gewichten van volledige exemplaren op die locatie. Indien dat gemiddelde niet kon worden berekend, omdat er geen hele individuen in hetzelfde monster zaten, is gerekend met respectievelijk het daggemiddelde of het gemiddelde over de gehele reis (campagnegemiddelde). Voor kapotte zwaardscheden, waar geen biomassa van gemeten kon worden, is gebruik gemaakt van een eerder vastgestelde breedte-gewichtsrelatie (regressie).

Per soort is het totale bestand als volgt berekend: voor alle monsterpunten is de biomassa per m2 berekend, welke vervolgens is vermenigvuldigd met het corresponderende oppervlak van het gridvak binnen het corresponderende stratum. Gesommeerd geeft dit het totale geschatte bestand voor het bemonsterde gebied.

Dieplevende soorten zoals mesheften en otterschelpen worden niet met een effici├źntie van 100% bemonsterd met de huidige monstertuigen. De bodemschaaf dringt door tot een diepte van 10 cm in de bodem, en de zuigkor tot een diepte van 7 cm, waardoor van mesheften alleen de topjes worden gevangen en van otterschelpen alleen delen van de sifons. Een deel van de dieren zal worden gemist, waarmee de gerapporteerde bestanden een onderschatting zijn van de werkelijke bestanden. Voor de vergelijking tussen jaren maakt dit geen verschil.

Er is voorzichtigheid geboden bij het interpreteren van de ontwikkelingen in het bestand van niet-doelsoorten omdat het monstergrid specifiek is ontworpen voor de halfgeknotte strandschelp en de zwaardschede. Dit grid is bijvoorbeeld minder geschikt voor een bestandsschatting van mosselen, die in sommige jaren na een grote broedval zeer plaatselijk in zeer hoge aantallen voorkomen.

Troost, K., M. van Asch, E. Brummelhuis, D. van den Ende, Y. van Es, K.J. Perdon, J. van der Pool, C. van Zweeden en J. van Zwol (2021) Schelpdierbestanden in de Nederlandse kustzone, Waddenzee en zoute deltawateren in 2020. Centrum voor Visserij Onderzoek en Wageningen Marine Research, CVO rapport 21.001. (link naar rapport)

De Mesel, I., J.A. Craeymeersch, T. Schellekens, C. van Zweeden, J. Wijsman, M. Leopold, E. Dijkman, K. Cronin (2011) Kansenkaarten voor schelpdieren op basis van abiotiek en hun relatie tot het voorkomen van zwarte zee-eenden. IMARES rapport C042/11. (link naar rapport)

Craeymeersch, J.A., V. Escaravage, J. Adema, M. van Asch, I. Tulp & T. Prins (2015) PMR Monitoring natuurcompensatie Voordelta - bodemdieren 2004-2013. IMARES Rapport C091/15. 171pp. (link naar rapport)

Craeymeersch, J.A., Faasse, M., Gheerardyn, H., Troost, K., Nijland, R., Perdon , K.J., Van den Ende, D. en Van Zwol, J. (2019). First records of the dwarf surf clam Mulinia lateralis (Say, 1822) in Europe. Marine Biodiversity Records 12 (5) (link naar artikel)

Craeymeersch, J.A., Van Stralen, M.R., Wijsman, J.W., Kesteloo, J., Perdon, J & I. de Mesel (2007) Ontwikkeling van een monstertuig voor bestandsopnames van mesheften. IMARES Rapport C084/07. (link naar rapport)

Website Centrum voor Visserij Onderzoek (CVO) van Wageningen-UR: (link naar website)

Het WMR databeleid volgt het WUR databeleid ten aanzien van veilige en duurzame dataopslag (in het Engels). Bij gebruik van data ten behoeve van een publicatie of presentatie, op welke wijze dan ook, is een correcte bronvermelding verplicht en kan mede-auteurschap als vereiste gelden. Wanneer bij het gebruik van de data het vermoeden rijst dat de data niet correct is, moet dit worden gemeld bij WMR, en indien wettelijk vereist, ook bij andere partijen. WMR is op geen enkele wijze aansprakelijk voor (de gevolgen van) het gebruik van de data door derden. Resultaten, conclusies en aanbevelingen gebaseerd op gebruik van de data door derden worden niet automatisch onderschreven door WMR.

Financiering

De inventarisatie maakt deel uit van de Wettelijke Onderzoekstaken (WOT) op het gebied van Visserij, en wordt jaarlijks uitgevoerd door Wageningen Marine Research in opdracht van het ministerie van LNV.

LogoMinLNV

Afbeeldingen van geselecteerde soorten

Halfgeknotte strandschelp (Spisula subtruncata)

halfgekn_strandschelp_Oscar_Bos
Foto: Oscar Bos

Kokkel (Cerastoderma edule)

kokkel_Oscar_Bos
Foto: Oscar Bos

Mossel (Mytilus edulis)

mossel_Oscar_Bos
Foto: Oscar Bos

Otterschelp (Lutraria lutraria)

otterschelp_Jack_Perdon
Foto: Jack Perdon

Venusschelp (Chamelea striatula)

venusschelp_Oscar_Bos
Foto: Oscar Bos

Zaagje (Donax vittatus)

zaagje_Oscar_Bos
Foto: Oscar Bos

Zwaardschede (Ensis spp.)

zwaardschede_Oscar_Bos
Foto: Oscar Bos